|
|
|
|
ER VLOOG EEN DUIF NAAR BINNEN (30-8-26)
ER VLOOG EEN DUIF NAAR BINNEN (30-8-26)
Toen ik thuiskwam na de kerkdienst, zette ik de tuindeuren wijd open – het was nog zo warm binnen. Ik zat nog maar net toen er in volle vaart een duif naar binnen vloog. In wilde paniek zocht hij een uitweg, tegen het plafond, bij alle ramen. Maar die zaten allemaal dicht. Hij kon nergens heen. Alleen de tuindeuren stonden open. Daar probeerde ik hem naar terug te leiden, een beetje pratend, een beetje opjagend, maar hij werd almaar angstiger en bleef uiteindelijk trillend in een hoekje zitten. Daar kon ik hem oppakken. Ik zei, hé, rustig maar, ik ga je alleen maar helpen! Even had ik hem vast, aan zijn vleugels. In de ruk die hij gaf om aan me te ontsnappen, kon ik hem nog net een zwier meegeven in de richting van de tuindeuren, waaruit hij weer naar buiten vloog, de tuin in, en door naar de hoogste boom. Veilig.
Ik moest denken aan dat gedicht van Leo Vroman, over een duif van honderd pond. Een rauw gedicht vol bloed en grove taal – het is dan ook kort na de oorlog geschreven, en Vroman maakte die aan den lijve mee. Het oorlogsgeweld is voelbaar in de vlammen en het gegil waarvan het gedicht verhaalt. En het begint al even dreigend, met een duif met een olijfboom in zijn klauwen. Want vrede, weet Vroman, is geen goedkoop woord en het is al evenmin gemakkelijk, al zouden we allemaal willen dat het dat wel was. Vrede is de afwezigheid van oorlog. Maar het zijn vooral de verhalen over de oorlog die voorbij is. Altijd zijn het vooral de verhalen over de oorlog die voorbij is, maar nog heel lang pijn blijft doen. Kom vanavond met verhalen, zo eindigt het gedicht, kom vanavond met verhalen, hoe de oorlog is verdwenen, kom vanavond met verhalen, alle malen zal ik wenen.
Mijn duif had geen olijfboom in zijn klauwen. Het was een bange duif, een duif in paniek. Ik heb hem aangeraakt, en gevoeld hoe hij trilde van angst, ik zag zijn knipperende ogen van heel dichtbij. In de verdwaasde stilte die hij achterliet, liggen alleen nog een paar van zijn veertjes. Vederlicht verlangen naar een vrede die kwetsbaar is, en angstig, en zomaar weggeblazen kan worden door wrede krachten die altijd sterker zijn.
Kom vanavond met verhalen, hoe de oorlog is verdwenen.
Alle malen zal ik wenen.
Marijke van Selm

| | terug
|
| |
|
|
|
|